Het Verdronken Land van Saeftinghe; natuurlijke vegetatieontwikkeling die meegroeit met zeespiegelstijging | Foto: Thijmen van Heerde/ARK Rewilding Nederland
In het Nederlandse waterbeheer staat het versterken en verhogen van dijken centraal om waterveiligheid te garanderen. Dit is in het Kennisprogramma Zeespiegelstijging (KP ZSS) voor de lange termijn uitgewerkt in de denkrichtingen ‘beschermen’, ‘zeewaarts’ en ‘meebewegen’. Deze denkrichtingen laten zien dat Nederland technisch beschermd kan blijven, ook bij versnelde zeespiegelstijging en zeer extreme scenario’s tot ongeveer 2 meter in 2100 en 5,4 meter in 2200 [1].
Uit deze verkenningen blijkt ook duidelijk dat een focus op alleen waterveiligheid grote gevolgen zal hebben voor kusten en estuaria. Door zeespiegelstijging raken deze ecosystemen steeds meer ingeklemd tussen zee en dijken. Maatregelen als het afsluiten van zeearmen, vaste waterpeilen of nieuwe buffermeren voor de kust leiden tot verlies van getijdedynamiek, sedimenttransport en geleidelijke overgangen tussen zoet en zout. Daarmee verdwijnen niet alleen waardevolle ecosystemen en de natuurlijke processen die deze in stand houden, maar ook de bijdragen van de natuur aan waterveiligheid, zoetwaterbeschikbaarheid, visserij en recreatie.
Vanwege dit spanningsveld heeft het KP ZSS een vierde perspectief uitgewerkt: ‘meegroeien’ [2]. Hierin worden natuurlijke systemen en natuurdoelen gezien als integraal onderdeel van de waterveiligheidsstrategie. ‘Meegroeilandschappen’ – zoals slikken, schorren en kwelders in de estuaria en slibrijke kustgebieden, en strand en duinen langs de zandige kust – vangen sediment in en laten de bodem meegroeien met de stijgende zeespiegel (afbeelding 1). Daarnaast dempen zij golven en beperken ze de impact van dijkdoorbraken, waardoor een bredere en robuustere waterkerende zone ontstaat [3]. Om te beoordelen waar meegroeien kansrijk is, kijken we naar gebieden waar natuurlijke sedimentatie nu al bijdraagt aan bodemopbouw en waterveiligheid.

Afbeelding 1. Schematische weergave van een meegroeilandschap: voorland, dubbele kwelders en dijk(en) functioneren samen als één waterveiligheidssysteem.
Lessen uit het verleden
Het Nederlandse kust- en estuariumlandschap had van nature een aanzienlijk meegroeivermogen. Schorren, slikken en duinen konden sediment invangen, hoger worden en zich – bij voldoende ruimte – landwaarts uitbreiden.
In de afgelopen eeuwen, en vooral in de laatste 80 jaar, is dit systeem echter ingrijpend veranderd [2]. Waterveiligheid is steeds meer georganiseerd via harde civieltechnische ingrepen, zoals dijken, dammen, stormvloedkeringen en vastgelegde oevers. Dit heeft Nederland veilig gemaakt, maar heeft ook het vermogen om mee te groeien aangetast (zie tabel 1). Vaak ontbreekt ruimte voor sedimentatie, is de getijdedynamiek verzwakt, het aanbod van sediment verminderd en zijn natuurlijke overgangen grotendeels verdwenen.
Zo is er in de Zuidwestelijke Delta nog slechts een derde van het intergetijdengebied over. Zoet-zoutovergangen zijn grotendeels verdwenen. In de Oosterschelde leidt de stormvloedkering tot een structureel sedimenttekort, met een verlies van ongeveer 80 tot 100 hectare per jaar aan platen, slikken en schorren. Daarmee verdwijnen ook voorlanden die golven dempen en de belasting op dijken verminderen. De Westerschelde heeft nog natuurlijke getijdedynamiek, maar daar staat het systeem onder druk door inpoldering, verdieping van de vaargeul en oeverfixatie.
Randvoorwaarden
Meegroeivermogen hangt af van drie randvoorwaarden: getijdynamiek, sedimentbeschikbaarheid en ruimte. Open systemen met een volledig getij zorgen continu voor sedimenttransport en natuurlijke ophoging van overstroomde gebieden. Als er structureel te weinig aanvoer van zand of slib is, kan er geen bodem worden opgebouwd. Bij een structureel sedimenttekort kan actief sedimentbeheer, bijvoorbeeld met suppleties, dit ondersteunen. Tot slot is er ruimte nodig voor sedimentatie, dynamiek en landwaartse uitbreiding van kust- en estuariumlandschappen.
Als aan deze randvoorwaarden is voldaan, blijkt meegroeien in de praktijk goed mogelijk. Het verlies aan meegroeivermogen is dus geen onvermijdelijk gevolg van zeespiegelstijging, maar het resultaat van inrichtingskeuzes. Tegelijk zijn deze randvoorwaarden ook sleutelfactoren. Dit biedt concrete aanknopingspunten voor herstel van dit vermogen.

Tabel 1. Systeemkenmerken van estuaria en kustlandschappen in Nederland
Waar werkt meegroeien nog?
Open estuaria als de Westerschelde laten zien dat natuurlijke systemen kunnen meegroeien met zeespiegelstijging. In het Verdronken Land van Saeftinghe worden bijvoorbeeld sedimentatiesnelheden gemeten van ongeveer 5 tot 10 millimeter per jaar, lokaal meer. Historische metingen laten zien dat dit gebied al meer dan een eeuw sneller groeit dan de stijging van het gemiddelde hoogwaterniveau.
Ook in recent ontpolderde gebieden, zoals de Hedwige-Prosperpolder [4] en Perkpolder [5], treedt snelle opslibbing op zodra getij en sedimenttransport zijn hersteld. Modelstudies wijzen erop dat verdrinking van zulke systemen pas optreedt bij veel hogere stijgsnelheden (15 – 20 mm/jaar) dan nu worden verwacht [4]. Dit laat zien dat natuurlijke processen voor een substantiële bodemopbouw kunnen zorgen. Ook de Waddenzee en de Eems-Dollard hebben meegroeipotentieel. Vooral in slibrijke gebieden kunnen de sedimentatiesnelheden hoog zijn [6], [7].
In systemen met beperkt getij, zoals Waterdunen in de Westerschelde en Rammegors in de Oosterschelde, leiden minder dynamiek en sedimentaanbod tot lage sedimentatiesnelheden en daardoor tot een grotere afhankelijkheid van beheer en onderhoud. In de Oosterschelde zorgt de stormvloedkering voor een structureel sedimenttekort. Hierdoor worden platen, slikken en schorren al decennialang kleiner. Het vermogen om mee te groeien en zich aan te passen is dan ook beperkt.
Hoe ver meegroeien?
De praktijkvoorbeelden laten zien dat meegroeilandschappen de huidige zeespiegelstijging goed kunnen bijhouden. Ook bij de meest waarschijnlijke scenario’s voor 2100 – 0,5 tot 1 meter zeespiegelstijging [7] – lijken natuurlijke processen op veel plaatsen voldoende, bij genoeg ruimte, dynamiek en sedimentaanvoer.
Bij scenario’s met meer dan 1 meter stijging in 2100, zoals de 2 meter uit het KP ZSS, zal natuurlijke sedimentatie niet overal genoeg zijn en is kunstmatige aanvulling nodig, bijvoorbeeld suppleties. Meegroeilandschappen zijn daarmee als een waterkerend landschap inclusief dijken een aanvulling die het kustsysteem robuuster en adaptiever maken.

Tabel 2. Open systemen laten duidelijk groter adaptief vermogen zien dan systemen met verminderd getij
Wat betekent dit voor het waterbeheer?
Voor de praktijk betekent dit dat kansen vooral liggen in:
Door zeespiegelstijging, bodemdaling en toekomstige dijkversterkingen ontstaat op veel plaatsen behoefte aan bredere kustzones. Vroegtijdige ruimtereservering voorkomt herhaalde ingrepen en maakt een kosteneffectieve en meer adaptieve inrichting mogelijk [2]. Daarbij kan worden voortgebouwd op ervaringen met dynamisch kustbeheer en suppleties langs de kust. Dit principe – meegroeien door natuurlijke processen te ondersteunen – kan ook worden toegepast in slibrijke estuariene systemen, met andere middelen en op een andere schaal. Waar natuurlijke processen tijdelijk onvoldoende opleveren, is bijsturen mogelijk. Het systeem blijft flexibel voor toekomstige ontwikkelingen omdat het altijd een combinatie zal blijven van waterkeringen en meegroeilandschappen.
Conclusie
Meegroeilandschappen bieden een concreet perspectief om waterveiligheid te combineren met herstel van natuurlijke systemen, en kust en delta robuuster en adaptiever te maken. Praktijkvoorbeelden laten zien dat dit mogelijk is als er ruimte, dynamiek en sediment beschikbaar zijn. Meegroeilandschappen kunnen al op korte termijn worden ingezet als concrete ontwerprichting bij dijkversterkingsopgaven.
Het Kennisprogramma Zeespiegelstijging laat zien dat Nederland ook bij extreme zeespiegelstijging technisch veilig kan blijven met hogere dijken, afsluitbare keringen en pompsystemen. Wel veranderen kusten en estuaria dan ingrijpend doordat getijdedynamiek, sedimenttransport en natuurlijke overgangen tussen land en water onder druk komen te staan. Dit artikel verkent meegroeilandschappen als integraal onderdeel van toekomstige waterkeringen. Dit zijn kustzones waarin natuurlijke processen, zoals sedimentatie en vegetatieontwikkeling, bijdragen aan het ophogen en verbreden van de waterkerende zone. Analyse van Nederlandse voorbeelden laat zien dat dit zeer goed werkt bij voldoende getij, sedimentaanvoer en ruimte.