Splitsingspunt bij Pannerden | Foto: Wageningen University & Research
In 2003 startte de overheid de eerste ‘Leven met Water’-campagne. In plaats van te strijden tégen, moesten we meer ruimte gaan maken vóór het water. ‘Meerlaagsveiligheid’, met aandacht voor overstromingspreventie, veerkrachtige ruimtelijke planning en goed voorbereide evacuatie, werd in 2009 in het Nationaal Waterplan geïntroduceerd. Sindsdien zijn er succesvolle projecten en innovatieve pilots geweest. Zo zijn er overstroombare landbouwgebieden gemaakt in de Noordwaard in de Biesbosch en zijn allerlei functies gecombineerd met waterveiligheid, zoals een aantrekkelijke boulevard met een versterkte waterkering bij Scheveningen.
Toch werd in een studie in 2023 geconstateerd dat meerlaagsveiligheid maar in 5 procent van de lopende waterveiligheidsprojecten van de grond komt [1]. Het ontbreekt onder meer aan financiële en juridische kaders en aan duidelijke methoden om wateropgaven voor de lange termijn te integreren in ruimtelijke opgaven op de korte termijn.
Een deel van het antwoord was de NL2120-benadering. Deze werkwijze benadert klimaatadaptatie minder vanuit risico’s en bedreigingen, en meer vanuit kansen, natuurlijke oplossingen en aantrekkelijke vergezichten [2]. Nature-based solutions (NbS) voor problemen rond klimaatadaptatie moesten Nederland fraai, waterrijk en groen maken. De aanpak kreeg navolging op regionale, lokale en zelfs Europese schaal [3]. De ontwerpende aanpak met NbS en een positieve insteek bood kansen voor betere integratie van wateropgaven in ruimtelijk beleid. In het project Waterveiligheidslandschappen werd dit samengebracht met kennis over waterveiligheid en zoetwatervoorziening. Het doel was een methodiek te ontwikkelen waarmee overheden en hun adviseurs in het landgebruik robuuste keuzes kunnen maken die rekening houden met de natuurlijke gebiedskarakteristieken en klimaatverandering op de lange termijn.
Afbeelding 1. Toekomstbeelden voor het splitsingspuntengebied [6]
Methodiek Waterveiligheidslandschappen
In het project Waterveiligheidslandschappen combineren we in een ontwerpend-onderzoekende benadering ruimtelijke verkenningen, beleidsanalyse en klimaatexpertise met de gebiedskennis van betrokken partijen.
De methode wordt uitgevoerd in een reeks van zes ‘gebiedsateliers’. Deelnemers aan deze ateliers doorlopen een gestructureerd proces: kennismaking en gezamenlijke afbakening van het gebied,
beleids-en gebiedsanalyse, toekomstverkenning via ‘narratieven’ (zie onder), selectie van ruimtelijke en bestuurlijke bouwstenen voor de toekomstperspectieven, uitwerking van transformatiepaden naar de toekomstperspectieven en reflectie op de consequenties voor huidig beleid en strategie. Deze opeenvolging maakt het mogelijk om zowel technische kennis als lokale inzichten te integreren en om toekomstbeelden stapsgewijs te vertalen naar uitvoerbare keuzes.
Een belangrijk element in de aanpak is de narratieven-methode [4]. Narratieven beschrijven mogelijke maatschappelijke ontwikkelingen en veranderende waarden. Door vanuit een breed scala aan narratieven te redeneren, worden deelnemers gestimuleerd om de ‘hoekpunten’ van mogelijke toekomsten te verkennen. Een voorbeeld is het protectionistische narratief: onafhankelijkheid en het beschermen van de eigen cultuur, natuur en economie. Of het ecocentrische narratief: een samenleving die het ecosysteem centraal stelt in denken en doen.
Per narratief worden bouwstenen gekozen die bijdragen aan waterveiligheid, zoetwaterbeschikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en het voorkomen van wateroverlast. Deze bouwstenen worden vertaald naar samenhangende toekomstperspectieven. In een volgende stap wordt het totaalpakket aan bouwstenen per ontwikkelrichting op een transformatiepad in de tijd geplaatst.
Transformatiepaden maken inzichtelijk hoe we stapsgewijs naar een toekomstperspectief toe kunnen werken en welke keuzes onderweg bepalend zijn voor toekomstige opties. Knikpunten geven aan wanneer bestaande systemen onvoldoende functioneren en wanneer maatregelen uiterlijk gerealiseerd moeten zijn. Door deze elementen visueel te ordenen ontstaat inzicht in haalbaarheid, risico’s en mogelijke overstapmomenten tussen strategieën.
Na de zes ateliers zijn de verschillende stappen uit de methodiek beschikbaar gemaakt in openbare handreikingen [5]. Van deze en andere gebiedscasussen is een uitgebreide rapportage beschikbaar [6].
Afbeelding 2. Strategische adaptatiepadenkaart voor het splitsingspuntengebied
Gebiedscasus splitsingspuntengebied
De methodiek is toegepast op het splitsingspuntengebied tussen Arnhem en Nijmegen. Dit gebied waar de Rijn splitst is belangrijk voor de zoetwatervoorziening, omdat hier wordt bepaald hoeveel water naar de Waal stroomt en hoeveel naar de IJssel voor aanvulling van zoetwater in het IJsselmeer.
In het eerste atelier ontmoetten de partners elkaar: het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de provincie Gelderland, Waterschap Rijn en IJssel, Waterschap Rivierenland en de kennispartners. Zij benoemden bij een bezoek aan het gebied dat naast waterveiligheid en zoetwaterbeschikbaarheid ook wonen, scheepvaart en biodiversiteit belangrijke thema’s zijn. In de tweede stap is een gebiedsanalyse uitgevoerd volgens de lagenbenadering [7]. Analyse van de ondergrond laat zien dat de loop van de rivieren in dit gebied regelmatig is veranderd. In de netwerklaag is de Waal een hoofdroute voor de scheepvaart. Ook lopen er belangrijke spoorwegen en snelwegen door het gebied. De uiterwaarden zijn grotendeels natuurgebied en bergen water tijdens piekafvoeren. In de occupatielaag valt de snelle verstedelijking op. Dit oorspronkelijk zeer dynamische gebied is grotendeels ingedijkt en gebruikt voor wonen en landbouw. De effecten van een extreem klimaatscenario voor het jaar 2100 zijn onderzocht voor het bestaande landschap rondom het splitsingspuntengebied. Grote delen hebben daarin een middelgrote kans op overstroming (ongeveer 1:100 jaar). In de landbouwgebieden neemt de kans op droogtestress toe.
In de derde stap zijn vanuit de narratievenmethode varianten uitgewerkt. Uit overleg met de gebiedspartners kwamen drie narratieven voor het splitsingspuntengebied naar voren: protectionistisch, ecocentrisch en ecomodernistisch. Deze narratieven zijn uitgewerkt in aansprekende ‘verhalen’ die passen bij de opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast en zoetwaterbeschikbaarheid. Deze verhalen kregen in de vierde stap een ruimtelijke dimensie door ze in ontwerpend onderzoek op kaarten weer te geven. Om de klimaatknelpunten op te lossen, werden bouwstenen geselecteerd die bij een narratief pasten. Deze bouwstenen zijn technische oplossingen, al of niet nature-based, voor wateropgaven. De drie uitwerkingen zijn te zien in afbeelding 1. De ontwerpen zijn geen eindbeelden van ‘hoe het gaat worden’, maar gedachte-experimenten over ‘wat zou kunnen’.
De vijfde stap was het nadenken over de voorwaarden om de drie ‘mogelijke toekomsten’ te realiseren. Is het voor de gekozen toekomsten en bouwstenen nodig om het draagvlak te vergroten, moet wetgeving worden aangepast, of moet er nog nieuwe technologie worden ontwikkeld? En hoeveel tijd kosten die stappen? In stap 6 is vanuit de toekomstperspectieven weer teruggeredeneerd naar het heden. Welke routes kunnen we identificeren? Welke gebieden moeten in elk geval worden beschermd om de weg naar mogelijke toekomsten open te houden? Dit resulteerde in de strategische adaptatiepadenkaart in afbeelding 2.
Tussentijds overstappen naar één van de andere perspectieven is het makkelijkst vanuit het Wetlands perspectief. In dit perspectief kan men beginnen meer water in het binnendijkse gebied te accepteren, zonder alle investeringen (voor bijvoorbeeld het verwijderen van dijken en het verplaatsen van dorpen) al te doen. Deze stappen kunnen eventueel later volgen. Maar wanneer dit niet goed bevalt, is het mogelijk om over te stappen op ‘Nieuw Gelders Arcadië’ of ‘MetroEuregio’. De dijken in Nieuw Gelders Arcadië zijn een ‘light-versie’ van die in de MetroEuregio. Vanuit het MetroEuregio-perspectief is het lastiger overstappen naar Nieuw Gelders Arcadië of Gelderse wetlands, omdat er dan al grote investeringen zijn gedaan. Uit de kaart blijkt wel dat overstappen na 2080 sowieso moeilijk wordt: op dat moment moeten veel van de noodzakelijke maatregelen al gerealiseerd zijn.
Conclusies en vervolg
De hier toegelichte methode laat expliciet zien voor welke risico’s waterschappen waarschuwen als de ruimtelijke ordening niet verandert. Voor deelnemers uit de ruimtelijke ordening wordt duidelijk wanneer in de toekomst knikpunten te verwachten zijn, dus hoe lang hun plannen ongeveer kunnen standhouden in een extreem klimaatscenario. Concrete stappen zijn mogelijk voor maatregelen die op korte termijn no regret zijn. Ook laat de methode zien welke keuzes toekomstige knelpunten vergroten en waar bestuurlijke of maatschappelijke besluitvorming nodig is om op tijd genoeg ruimte voor water te reserveren.
Landschappelijke eenheden in het splitsingspuntengebied die voor de lange termijn beschermd moeten worden zijn de Rijnstrangen en het gebied rond de Linge. Voor de Rijnstrangen is al een reservering om ze na 2050 als noodoverloop te gebruiken. Een Rijnstrangendijk is daarom een no regret-maatregel. Ook de Linge laten meestromen met de grote rivieren tijdens hoogwaterperiodes blijkt in meerdere perspectieven een interessante optie. Het lijkt zinvol hier ruimte voor te reserveren en alvast wat verkenningen (inclusief berekeningen) uit te voeren. Daarnaast kwam naar voren welke huidige ontwikkelingen in de lokale ruimtelijke ordening om een kritische discussie vragen. In het onderzochte gebied is dat onder meer de sterke verstedelijkingstendens tussen Arnhem en Nijmegen. De ‘MetroEuregio’ is een extreem duur plan waar we in de huidige praktijk al naartoe werken – misschien zonder het echt te beseffen. Met ongewijzigd beleid ontstaat deze situatie immers vanzelf.
In 2023 werd geconstateerd dat meerlaagsveiligheid in maar 5 procent van de lopende waterveiligheidsprojecten van de grond komt. Het ontbreekt onder meer aan financiële en juridische kaders en aan duidelijke methoden om langetermijn- wateropgaven te integreren in ruimtelijke opgaven op de korte termijn. In de methode van Waterveiligheidslandschappen gebeurt dit wel. In zes gebiedsateliers is deze methodiek toegepast op het splitsingspuntengebied.